Categorieën

Behandeling

Artrose heup-knie (155)

Astma bij kinderen (68)

Beroerte (304)

Beroerte 2014 (2)

Diagnose

Artrose heup-knie (155)

Astma bij kinderen (68)

Beroerte (304)

Beroerte 2014 (2)

Zoekresultaten

Total : 2199

1 . <p>De herziening van <span class="italics">KNGF-richtlijn Artrose Heup-Knie</span> van het Koninklijk Nederlans Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) is een leidraad voor het fysiotherapeutisch handelen bij mensen met gezondheidsproblemen die samenhangen met artrose van de heup en/of knie. In de richtlijn worden het diagnostisch en therapeutisch proces beschreven conform het methodisch fysiotherapeutisch handelen.</p> <p>Deze <span class="italics">Praktijkrichtlijn</span> is een samenvatting van de <span class="italics">Verantwoording en toelichting</span>, waarin de keuzes die zijn gemaakt bij de herziening van de eerste richtlijn uit 2001 zijn uiteengezet en toegelicht. Zoals te doen gebruikelijk bij de herziening van een richtlijn zijn alle ontwikkelingen met betrekking tot heup- en/of knieartrose verwerkt, die zich hebben voorgedaan na het verschijnen van de vorige versie, zowel ontwikkelingen op het gebied van de inhoudelijke zorg en de wetenschap, als die op het maatschappelijk vlak, na het verschijnen van de vorige versie. Een aantal veranderingen is doorgevoerd ten opzichte van de eerste versie van de richtlijn uit 2001.</p> <ol> <li>Ten eerste zijn de 3 patiëntenprofielen vervangen door de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) Core Sets for osteoarthritis’ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De ICF loopt als een rode draad door de richtlijn. De classificatie beschrijft de fysieke, psychische en sociaalmaatschappelijke gezondheidstoestand c.q. -problemen van mensen met heup- en/of knieartrose, rekening houdend met externe en persoonlijke factoren die daarop van invloed zijn.</li> <li>Ten tweede is er uitgebreid systematisch literatuuronderzoek gedaan naar het effect van alle mogelijke fysiotherapeutische interventies bij heup- en/of knieartrose. Hierbij zijn ook inbegrepen de pre- en postoperatieve interventies.</li> <li>Ten derde is in de literatuur gezocht naar de meest relevante meetinstrumenten voor heup- en/of knieartrose, als hulpmiddel voor het in kaart brengen van de gezondheidsproblemen of de evaluatie van de behandeling. Deze meetinstrumenten zijn gekoppeld aan de verschillende gezondheidsdomeinen van de ICF.</li> </ol> <p>Bij het herschrijven van de richtlijn is gebruik gemaakt van de <a href="http://www.diliguide.nl/document/3133/heup-en-knieartrose.html" target="_blank" class="italics">CBO-Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van heup- en knieartrose</a> uit 2007 (van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO), de <a href="http://nhg.artsennet.nl/kenniscentrum/k_richtlijnen/k_nhgstandaarden/Samenvattingskaartje-NHGStandaard/M67_svk.htm" target="_blank" class="italics">NHG-Standaard Niet-traumatische knieproblemen</a> bij volwassenen uit 2008 (van het Nederlands Huisartsen Genootschap), de twee nationale richtlijnen, en daarnaast van internationale richtlijnen en aanbevelingen.</p>

De herziening van KNGF-richtlijn Artrose Heup-Knie van het Koninklijk Nederlans Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) is een leidraad voor het fysiotherapeutisch handelen bij mensen met gezondheidsproblemen die samenhangen met artrose van de heup en/of knie. In de richtlijn worden het diagnostisch en therapeutisch proces beschreven conform het methodisch fysiotherapeutisch handelen.

Deze Praktijkrichtlijn is een samenvatting van de Verantwoording en toelichting, waarin de keuzes die zijn gemaakt bij de herziening van de eerste richtlijn uit 2001 zijn uiteengezet en toegelicht. Zoals te doen gebruikelijk bij de herziening van een richtlijn zijn alle ontwikkelingen met betrekking tot heup- en/of knieartrose verwerkt, die zich hebben voorgedaan na het verschijnen van de vorige versie, zowel ontwikkelingen op het gebied van de inhoudelijke zorg en de wetenschap, als die op het maatschappelijk vlak, na het verschijnen van de vorige versie. Een aantal veranderingen is doorgevoerd ten opzichte van de eerste versie van de richtlijn uit 2001.

  1. Ten eerste zijn de 3 patiëntenprofielen vervangen door de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) Core Sets for osteoarthritis’ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De ICF loopt als een rode draad door de richtlijn. De classificatie beschrijft de fysieke, psychische en sociaalmaatschappelijke gezondheidstoestand c.q. -problemen van mensen met heup- en/of knieartrose, rekening houdend met externe en persoonlijke factoren die daarop van invloed zijn.
  2. Ten tweede is er uitgebreid systematisch literatuuronderzoek gedaan naar het effect van alle mogelijke fysiotherapeutische interventies bij heup- en/of knieartrose. Hierbij zijn ook inbegrepen de pre- en postoperatieve interventies.
  3. Ten derde is in de literatuur gezocht naar de meest relevante meetinstrumenten voor heup- en/of knieartrose, als hulpmiddel voor het in kaart brengen van de gezondheidsproblemen of de evaluatie van de behandeling. Deze meetinstrumenten zijn gekoppeld aan de verschillende gezondheidsdomeinen van de ICF.

Bij het herschrijven van de richtlijn is gebruik gemaakt van de CBO-Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van heup- en knieartrose uit 2007 (van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO), de NHG-Standaard Niet-traumatische knieproblemen bij volwassenen uit 2008 (van het Nederlands Huisartsen Genootschap), de twee nationale richtlijnen, en daarnaast van internationale richtlijnen en aanbevelingen.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

2 . <p style="text-align: left;">Deze richtlijn is bedoeld voor alle fysiotherapeuten (zowel algemeen fysiotherapeuten als fysiotherapeuten met een verbijzondering, zoals manueel therapeuten en psychosomatische fysiotherapeuten) die mensen met gezondheidsproblemen ten gevolge van artrose van de heup en/of knie behandelen in een eerste-, tweede- of derdelijnssetting. Deze richtlijn is ook bestemd voor oefentherapeuten die mensen met artrose van de heup en/of knie behandelen.</p> <p style="text-align: left;">Om mensen met artrose van de heup en/of knie adequaat te kunnen behandelen, is het noodzakelijk dat de fysiotherapeut beschikt over bepaalde specifieke kennis en vaardigheden (verkregen via opleiding, werkervaring en/of via bij- en nascholing). Deze <span class="italics">KNGF-richtlijn Artrose heup-knie</span> verschaft de fysiotherapeut specifieke kennis over het beloop van artrose van de heup en/of knie (met de daarbij behorende pathofysiologische processen), de gevolgen van artrose van de heup en/of knie, de gevolgen van artrose van de heup en/of knie die door de fysiotherapeut te beïnvloeden zijn, en informatie over het diagnostisch en therapeutisch proces met daarbij de meest relevante klinisch-wetenschappelijke literatuur.</p>

Deze richtlijn is bedoeld voor alle fysiotherapeuten (zowel algemeen fysiotherapeuten als fysiotherapeuten met een verbijzondering, zoals manueel therapeuten en psychosomatische fysiotherapeuten) die mensen met gezondheidsproblemen ten gevolge van artrose van de heup en/of knie behandelen in een eerste-, tweede- of derdelijnssetting. Deze richtlijn is ook bestemd voor oefentherapeuten die mensen met artrose van de heup en/of knie behandelen.

Om mensen met artrose van de heup en/of knie adequaat te kunnen behandelen, is het noodzakelijk dat de fysiotherapeut beschikt over bepaalde specifieke kennis en vaardigheden (verkregen via opleiding, werkervaring en/of via bij- en nascholing). Deze KNGF-richtlijn Artrose heup-knie verschaft de fysiotherapeut specifieke kennis over het beloop van artrose van de heup en/of knie (met de daarbij behorende pathofysiologische processen), de gevolgen van artrose van de heup en/of knie, de gevolgen van artrose van de heup en/of knie die door de fysiotherapeut te beïnvloeden zijn, en informatie over het diagnostisch en therapeutisch proces met daarbij de meest relevante klinisch-wetenschappelijke literatuur.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

3 . <p>Deze richtlijn beschrijft het fysiotherapeutisch diagnostisch proces (waaronder het screeningsproces) en het therapeutisch proces bij mensen met artrose van de heup en/of knie. Ook de pre- en postoperatieve zorg bij chirurgische interventies in verband met heup- en/of knieartrose worden beschreven. De KNGF-richtlijn richt zich specifiek op artrose van de heup en/of knie en niet op artrose van andere gewrichten, zoals die van de wervelkolom of de handen.</p>

Deze richtlijn beschrijft het fysiotherapeutisch diagnostisch proces (waaronder het screeningsproces) en het therapeutisch proces bij mensen met artrose van de heup en/of knie. Ook de pre- en postoperatieve zorg bij chirurgische interventies in verband met heup- en/of knieartrose worden beschreven. De KNGF-richtlijn richt zich specifiek op artrose van de heup en/of knie en niet op artrose van andere gewrichten, zoals die van de wervelkolom of de handen.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

4 . <p style="text-align: left;"><span style="font-family: arial, helvectica, sans-serif;">Artrose is de meest voorkomende aandoening van het houding- en bewegingsapparaat. Kenmerkend is een langzaam en wisselend progressief verlies van gewrichtskraakbeen. Naast kraakbeenverlies kunnen ook veranderingen plaatsvinden van zowel het subchondrale bot en kan woekering optreden van het bot aan de gewrichtsranden (vorming van osteofyten). Periodiek kan de synoviale membraan geprikkeld zijn, wat leidt tot gewrichtsontsteking.</span></p>

Artrose is de meest voorkomende aandoening van het houding- en bewegingsapparaat. Kenmerkend is een langzaam en wisselend progressief verlies van gewrichtskraakbeen. Naast kraakbeenverlies kunnen ook veranderingen plaatsvinden van zowel het subchondrale bot en kan woekering optreden van het bot aan de gewrichtsranden (vorming van osteofyten). Periodiek kan de synoviale membraan geprikkeld zijn, wat leidt tot gewrichtsontsteking.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

5 . <p style="text-align: left;"><span style="font-family: arial, helvectica, sans-serif;">Op 1 januari 2007 hadden naar schatting 197.000 mannen en 353.000 vrouwen in Nederland heup- en/of knieartrose. Dit komt overeen met 24,5 op de 1000 mannen en 42,7 op de 1000 vrouwen. Knieartrose komt vaker voor dan heupartrose.</span></p> <p style="outline-style: none; outline-width: initial; outline-color: initial; font-family: arial, helvectica, sans-serif; margin-top: 20px; margin-right: 0px; margin-bottom: 0px; margin-left: 0px; text-align: left;">Het aantal nieuwe patiënten met heup- en knieartrose per jaar in Nederland werd in 2007 geschat op 23.100 mannen en 42.900 vrouwen. Dit komt overeen met 2,8 op de 1000 mannen en 5,1 op de 1000 vrouwen. Het risico op artrose neemt toe met de leeftijd, met een piek rond de 78 tot 79 jaar, na welke leeftijd het risico weer afneemt.</p> <p style="outline-style: none; outline-width: initial; outline-color: initial; font-family: arial, helvectica, sans-serif; margin-top: 20px; margin-right: 0px; margin-bottom: 0px; margin-left: 0px; text-align: left;">Jaarlijks wordt 4,3 procent van de mensen met heup- en/of knieartrose die zich aanmelden bij de huisarts verwezen naar de fysiotherapeut. Veel mensen met artrose zijn niet bekend bij de huisarts. De prevalentie en incidentie van artrose zijn geschat op basis van gegevens afkomstig van huisartsenregistraties. Het aantal personen met heup- of knieartrose in de bevolking is 2 tot 3,5 keer hoger dan het aantal patiënten dat bij de huisarts bekend is.</p> <p style="outline-style: none; outline-width: initial; outline-color: initial; font-family: arial, helvectica, sans-serif; margin-top: 20px; margin-right: 0px; margin-bottom: 0px; margin-left: 0px; text-align: left;">Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absolute aantal personen met artrose tussen het jaar 2000 en 2020 met bijna 40 procent zal stijgen. Wanneer ook rekening wordt gehouden met een toekomstige stijging van (ernstig) overgewicht (Body Mass Index, BMI &gt; 30), zal de prevalentie van artrose in de toekomst mogelijk nog groter zijn.</p>

Op 1 januari 2007 hadden naar schatting 197.000 mannen en 353.000 vrouwen in Nederland heup- en/of knieartrose. Dit komt overeen met 24,5 op de 1000 mannen en 42,7 op de 1000 vrouwen. Knieartrose komt vaker voor dan heupartrose.

Het aantal nieuwe patiënten met heup- en knieartrose per jaar in Nederland werd in 2007 geschat op 23.100 mannen en 42.900 vrouwen. Dit komt overeen met 2,8 op de 1000 mannen en 5,1 op de 1000 vrouwen. Het risico op artrose neemt toe met de leeftijd, met een piek rond de 78 tot 79 jaar, na welke leeftijd het risico weer afneemt.

Jaarlijks wordt 4,3 procent van de mensen met heup- en/of knieartrose die zich aanmelden bij de huisarts verwezen naar de fysiotherapeut. Veel mensen met artrose zijn niet bekend bij de huisarts. De prevalentie en incidentie van artrose zijn geschat op basis van gegevens afkomstig van huisartsenregistraties. Het aantal personen met heup- of knieartrose in de bevolking is 2 tot 3,5 keer hoger dan het aantal patiënten dat bij de huisarts bekend is.

Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absolute aantal personen met artrose tussen het jaar 2000 en 2020 met bijna 40 procent zal stijgen. Wanneer ook rekening wordt gehouden met een toekomstige stijging van (ernstig) overgewicht (Body Mass Index, BMI > 30), zal de prevalentie van artrose in de toekomst mogelijk nog groter zijn.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

6 . <p>Kenmerkend voor artrose van de heup en/of knie is het ervaren van pijn, stijfheid en op den duur achteruitgang in dagelijks functioneren, die vermoedelijk veelal ontstaat door gebrek aan beweging. Daarnaast kan er sprake zijn van een verminderde beweeglijkheid in de gewrichten, verminderde spierkracht, instabiliteit van de gewrichten en crepitaties. Vaak is er sprake van radiologische afwijkingen, maar deze afwijkingen houden slechts in geringe mate verband met klachten als pijn, stijfheid en verminderde gewrichtsmobiliteit. Soms zijn er duidelijke radiologische afwijkingen die passen bij artrose, zonder pijnklachten en bewegingsbeperkingen. De kans op klinische symptomen neemt echter wel toe met de omvang van de radiologische afwijkingen.</p> <p>Er bestaan nog geen diagnostische criteria voor heupartrose. <br />Recentelijk zijn door de European League Against Rheumatism (EULAR) wel diagnostische criteria ontwikkeld voor knieartrose. De belangrijkste factoren die een rol spelen bij het stellen van de diagnose knieartrose staan vermeld in figuur 1.</p> <p><span data-mce-bogus="1" id="_mce_caret"><span data-mce-bogus="1" class="figuurbijschrift"></span></span><span class="figuurbijschrift">Figuur 1. De belangrijkste factoren die een rol spelen bij de diagnose knieartrose (vertaald uit het Engels). Bron: Zhang W, Doherty M, Peat G, Bierma-Zeinstra SM, Arden NK, Bresnihan B, et al. EULAR evidence based recommendations for the diagnosis of knee osteoarthritis. Ann Rheum Dis. 2009 Sep 17.</span></p> <p><img alt="Artrose PRL 01" src="images/afbeeldingen/artrose%20heup-knie/1/A/Artrose_PRL_01.gif" width="100%" /></p> <p>De klinische diagnose wordt gesteld door een arts op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek. Daarnaast wordt in een aantal gevallen laboratoriumonderzoek en/of conventioneel radiologisch (röntgen)onderzoek verricht: strikt genomen zijn beide niet noodzakelijk bij een patiënt met een klassieke anamnese en bevindingen bij lichamelijk onderzoek.<br />Laboratoriumonderzoek laat in geval van artrose een normale bloedbezinking zien, bij reumatoïde artritis daarentegen niet. Het radiologisch onderzoek vindt vaak plaats op verzoek van de patiënt, ter bevestiging van de diagnose. </p> <p>Voor röntgenonderzoek zijn diverse graderingssystemen. Het meest gangbare is het scoringssysteem volgens Kellgren en Lawrence, dat is gebaseerd op de mate van kraakbeenverlies, de aanwezigheid van osteofyten, de mate van sclerosering van het subchondrale bot en de vorming van cysten. Er zijn 5 graden (0-4). Bij graad 2 of hoger is sprake van artrose. In zo’n geval kan er al jaren sprake  zijn van een sluimerend voorstadium van artrose. </p> <p>Echografisch onderzoek kan, in uitzonderingsgevallen, een rol spelen bij de differentiaaldiagnose. Magnetic resonance imaging (MRI) onderzoek is niet geïndiceerd bij de diagnostiek van artrose in de dagelijkse praktijk; bovendien is het een kostbaar onderzoek. Wel bestaat in onderzoeksverband veel belangstelling voor MRI, omdat het door middel van MRI aangetoonde beenmergoedeem een voorspeller kan zijn voor toename van radiologische schade. </p> <p>In de tweede lijn kan aanvullend radiologisch onderzoek worden overwogen ter ondersteuning van de diagnose, voor het instellen van de optimale therapie, bij een discrepantie tussen de bevindingen uit lichamelijk onderzoek en de klachten van de patiënt, bij onvoldoende reactie op ingestelde therapie of ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. </p> <p>In de dagelijkse praktijk wordt voornamelijk gewerkt met de klinische diagnose heup- en/of knieartrose. Vanwege het ontbreken van een duidelijk verband tussen de ernst van de klachten en functionele beperkingen enerzijds en de mate van radiologische afwijkingen anderzijds is aanvullend radiologisch onderzoek voor het stellen van de diagnose artrose in de eerste lijn niet zinvol.<br />Aanvullend radiologisch onderzoek kan echter wel richtinggevend zijn voor de dagelijkse<a name="kl" id="kl"></a> klinische praktijk.</p> <p> </p>

Kenmerkend voor artrose van de heup en/of knie is het ervaren van pijn, stijfheid en op den duur achteruitgang in dagelijks functioneren, die vermoedelijk veelal ontstaat door gebrek aan beweging. Daarnaast kan er sprake zijn van een verminderde beweeglijkheid in de gewrichten, verminderde spierkracht, instabiliteit van de gewrichten en crepitaties. Vaak is er sprake van radiologische afwijkingen, maar deze afwijkingen houden slechts in geringe mate verband met klachten als pijn, stijfheid en verminderde gewrichtsmobiliteit. Soms zijn er duidelijke radiologische afwijkingen die passen bij artrose, zonder pijnklachten en bewegingsbeperkingen. De kans op klinische symptomen neemt echter wel toe met de omvang van de radiologische afwijkingen.

Er bestaan nog geen diagnostische criteria voor heupartrose. 
Recentelijk zijn door de European League Against Rheumatism (EULAR) wel diagnostische criteria ontwikkeld voor knieartrose. De belangrijkste factoren die een rol spelen bij het stellen van de diagnose knieartrose staan vermeld in figuur 1.

Figuur 1. De belangrijkste factoren die een rol spelen bij de diagnose knieartrose (vertaald uit het Engels). Bron: Zhang W, Doherty M, Peat G, Bierma-Zeinstra SM, Arden NK, Bresnihan B, et al. EULAR evidence based recommendations for the diagnosis of knee osteoarthritis. Ann Rheum Dis. 2009 Sep 17.

Artrose PRL 01

De klinische diagnose wordt gesteld door een arts op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek. Daarnaast wordt in een aantal gevallen laboratoriumonderzoek en/of conventioneel radiologisch (röntgen)onderzoek verricht: strikt genomen zijn beide niet noodzakelijk bij een patiënt met een klassieke anamnese en bevindingen bij lichamelijk onderzoek.
Laboratoriumonderzoek laat in geval van artrose een normale bloedbezinking zien, bij reumatoïde artritis daarentegen niet. Het radiologisch onderzoek vindt vaak plaats op verzoek van de patiënt, ter bevestiging van de diagnose. 

Voor röntgenonderzoek zijn diverse graderingssystemen. Het meest gangbare is het scoringssysteem volgens Kellgren en Lawrence, dat is gebaseerd op de mate van kraakbeenverlies, de aanwezigheid van osteofyten, de mate van sclerosering van het subchondrale bot en de vorming van cysten. Er zijn 5 graden (0-4). Bij graad 2 of hoger is sprake van artrose. In zo’n geval kan er al jaren sprake  zijn van een sluimerend voorstadium van artrose. 

Echografisch onderzoek kan, in uitzonderingsgevallen, een rol spelen bij de differentiaaldiagnose. Magnetic resonance imaging (MRI) onderzoek is niet geïndiceerd bij de diagnostiek van artrose in de dagelijkse praktijk; bovendien is het een kostbaar onderzoek. Wel bestaat in onderzoeksverband veel belangstelling voor MRI, omdat het door middel van MRI aangetoonde beenmergoedeem een voorspeller kan zijn voor toename van radiologische schade. 

In de tweede lijn kan aanvullend radiologisch onderzoek worden overwogen ter ondersteuning van de diagnose, voor het instellen van de optimale therapie, bij een discrepantie tussen de bevindingen uit lichamelijk onderzoek en de klachten van de patiënt, bij onvoldoende reactie op ingestelde therapie of ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. 

In de dagelijkse praktijk wordt voornamelijk gewerkt met de klinische diagnose heup- en/of knieartrose. Vanwege het ontbreken van een duidelijk verband tussen de ernst van de klachten en functionele beperkingen enerzijds en de mate van radiologische afwijkingen anderzijds is aanvullend radiologisch onderzoek voor het stellen van de diagnose artrose in de eerste lijn niet zinvol.
Aanvullend radiologisch onderzoek kan echter wel richtinggevend zijn voor de dagelijkse klinische praktijk.

 

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

7 . <p style="text-align: left;">Pijn is voor de meeste mensen het belangrijkste symptoom van heup- en/of knieartrose. Deze pijn treedt aanvankelijk op bij het starten van bewegen en bij langdurig belasten; de pijn neemt vaak toe naarmate de dag vordert. In latere fasen is er ook pijn in rust en nachtelijke pijn. Stijfheid bij artrose is meestal startstijfheid, die na enkele minuten verdwenen is. Aan de gewrichtsranden kunnen benige zwellingen (osteofyten) worden gepalpeerd, die gevoelig zijn bij druk. Naast benige zwelling kan er sprake zijn van wekedelenzwelling of intra-articulaire zwelling (hydrops of synovitis). Karakteristiek voor artrose zijn crepitaties die worden gehoord en gevoeld en waarschijnlijk worden veroorzaakt door ruwe gewrichtsoppervlakken en de benige verdikkingen aan de gewrichtsranden, die langs de ligamenten strijken.</p> <p style="text-align: left;">Bij heupartrose zit de pijn meestal in de lies en aan de voor-laterale zijde van de heup, soms in het bovenbeen of uitstralend naar het bovenbeen en de knie. Naast leeftijd (60 jaar) is bij mensen met pijn in de heup een aantal klinische factoren voorspellend voor de ernst en aanwezigheid van radiologische artrose, en de mate waarin deze klinische factoren optreden. Deze factoren zijn: meer dan drie maanden pijnklachten, geen verergering van de pijn bij zitten, pijn bij palpatie over het ligamentum inguinale, verminderde exorotatie, endorotatie en adductie, een benig eindgevoel en spierkrachtverlies van abductie van de heup).</p> <p style="text-align: left;">Bij knieartrose bevindt de pijn zich meestal in en rondom de knie, maar soms kan de pijn ook gelokaliseerd zijn in het bovenbeen of de heup. Bij pijn in de knie is ook een aantal klinische factoren voorspellend voor de ernst en aanwezigheid van radiologische artrose. Bij knieartrose zijn deze factoren: leeftijd ouder dan 50 jaar, ochtendstijfheid van minder dan 30 minuten, crepitaties bij bewegingsonderzoek, gevoeligheid van de benige structuren, benige verbreding van het kniegewricht en de afwezigheid van een verhoogde temperatuur in het kniegewricht.</p> <p style="text-align: left;">Soms ontstaat er in de heup of knie een ontstekingsreactie van het synovium. Deze ontstekingsreactie kan pijn, zwelling en temperatuurverhoging in het gewricht teweegbrengen. Een ander kenmerk van artrose is het ontstaan van bewegingsbeperkingen van het gewricht. Daarnaast kunnen door toenemende destructie van de gewrichtsstructuren standsveranderingen ontstaan, zoals een varus- of valgusstand van de knie. Deze standsveranderingen kunnen leiden tot klachten van instabiliteit. Stabiliteit van een gewricht kan worden gedefinieerd als ‘het vermogen om een positie van een gewricht te handhaven of om bewegingen, beïnvloed door externe belastingen, te kunnen controleren’. De stabiliteit van een gewricht wordt verzorgd door het passieve steunapparaat (ligamenten, kapsel) en het actieve neuromusculaire systeem (spierkracht, proprioceptie). Het bereiken van stabiliteit van een gewricht moet worden beschouwd als een proces dat door een aantal factoren (onder andere kracht, proprioceptie en laxiteit) wordt beïnvloed.</p> <p style="text-align: left;">Zowel bij heup- als knieartrose kunnen er ten gevolge van pijn, stijfheid, bewegingsbeperkingen, standsafwijkingen en/of instabiliteit problemen ontstaan bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten zoals lopen, traplopen, gaan zitten en opstaan en sokken en schoenen aantrekken. Problemen met de stabiliteit kunnen leiden tot een gevoel van onzekerheid tijdens het uitvoeren van activiteiten. Uiteindelijk kunnen de stoornissen en de beperkingen in dagelijkse activiteiten leiden tot beperkingen in de maatschappelijke participatie zoals werk, recreatie of sport.</p>

Pijn is voor de meeste mensen het belangrijkste symptoom van heup- en/of knieartrose. Deze pijn treedt aanvankelijk op bij het starten van bewegen en bij langdurig belasten; de pijn neemt vaak toe naarmate de dag vordert. In latere fasen is er ook pijn in rust en nachtelijke pijn. Stijfheid bij artrose is meestal startstijfheid, die na enkele minuten verdwenen is. Aan de gewrichtsranden kunnen benige zwellingen (osteofyten) worden gepalpeerd, die gevoelig zijn bij druk. Naast benige zwelling kan er sprake zijn van wekedelenzwelling of intra-articulaire zwelling (hydrops of synovitis). Karakteristiek voor artrose zijn crepitaties die worden gehoord en gevoeld en waarschijnlijk worden veroorzaakt door ruwe gewrichtsoppervlakken en de benige verdikkingen aan de gewrichtsranden, die langs de ligamenten strijken.

Bij heupartrose zit de pijn meestal in de lies en aan de voor-laterale zijde van de heup, soms in het bovenbeen of uitstralend naar het bovenbeen en de knie. Naast leeftijd (60 jaar) is bij mensen met pijn in de heup een aantal klinische factoren voorspellend voor de ernst en aanwezigheid van radiologische artrose, en de mate waarin deze klinische factoren optreden. Deze factoren zijn: meer dan drie maanden pijnklachten, geen verergering van de pijn bij zitten, pijn bij palpatie over het ligamentum inguinale, verminderde exorotatie, endorotatie en adductie, een benig eindgevoel en spierkrachtverlies van abductie van de heup).

Bij knieartrose bevindt de pijn zich meestal in en rondom de knie, maar soms kan de pijn ook gelokaliseerd zijn in het bovenbeen of de heup. Bij pijn in de knie is ook een aantal klinische factoren voorspellend voor de ernst en aanwezigheid van radiologische artrose. Bij knieartrose zijn deze factoren: leeftijd ouder dan 50 jaar, ochtendstijfheid van minder dan 30 minuten, crepitaties bij bewegingsonderzoek, gevoeligheid van de benige structuren, benige verbreding van het kniegewricht en de afwezigheid van een verhoogde temperatuur in het kniegewricht.

Soms ontstaat er in de heup of knie een ontstekingsreactie van het synovium. Deze ontstekingsreactie kan pijn, zwelling en temperatuurverhoging in het gewricht teweegbrengen. Een ander kenmerk van artrose is het ontstaan van bewegingsbeperkingen van het gewricht. Daarnaast kunnen door toenemende destructie van de gewrichtsstructuren standsveranderingen ontstaan, zoals een varus- of valgusstand van de knie. Deze standsveranderingen kunnen leiden tot klachten van instabiliteit. Stabiliteit van een gewricht kan worden gedefinieerd als ‘het vermogen om een positie van een gewricht te handhaven of om bewegingen, beïnvloed door externe belastingen, te kunnen controleren’. De stabiliteit van een gewricht wordt verzorgd door het passieve steunapparaat (ligamenten, kapsel) en het actieve neuromusculaire systeem (spierkracht, proprioceptie). Het bereiken van stabiliteit van een gewricht moet worden beschouwd als een proces dat door een aantal factoren (onder andere kracht, proprioceptie en laxiteit) wordt beïnvloed.

Zowel bij heup- als knieartrose kunnen er ten gevolge van pijn, stijfheid, bewegingsbeperkingen, standsafwijkingen en/of instabiliteit problemen ontstaan bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten zoals lopen, traplopen, gaan zitten en opstaan en sokken en schoenen aantrekken. Problemen met de stabiliteit kunnen leiden tot een gevoel van onzekerheid tijdens het uitvoeren van activiteiten. Uiteindelijk kunnen de stoornissen en de beperkingen in dagelijkse activiteiten leiden tot beperkingen in de maatschappelijke participatie zoals werk, recreatie of sport.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

8 . <p style="text-align: left;"><span style="text-align: left;">Artrose is een aandoening die in de meeste gevallen multifactorieel wordt bepaald. Welke factoren bij welke patiënten een rol spelen, is nog niet duidelijk. Factoren die invloed hebben op het ontstaan van artrose van de heup en/of knie worden onderverdeeld in systemische en biomechanische factoren (zie tabel 1a).</span></p> <p class="tabelbijschrift" style="text-align: left;">Tabel 1a. Risicofactoren voor het ontstaan van heup- en/of knieartrose.</p> <table style="width: 100%;" border="0"> <tbody> <tr> <td style="background-color: #e3b869; text-align: center;" class="tabel-header"><strong><span style="color: #ffffff;"> systemische factoren</span></strong></td> <td style="background-color: #e3b869; text-align: center;" colspan="2" class="tabel-header"><strong><span style="color: #ffffff;">biomechanische factoren </span></strong></td> </tr> <tr> <td style="background-color: #faf2e2;" class="tabel-33"> <ul> <li>leeftijd</li> <li>ras*</li> <li>genetische aanleg*</li> <li>geslacht</li> <li>overgewicht**</li> <li>gegeneraliseerde artrose</li> <li>malignement (knie)</li> </ul> </td> <td style="background-color: #faf2e2;" class="tabel-33"> <p class="italics">intrinsieke factoren</p> <ul> <li>trauma in verleden</li> <li>gewrichtsaandoening (o.a. septische artritis, reactieve artritis of kristalartritis)</li> <li>congenitaal (o.a. congenitale heupdysplasie, ziekte van Perthes en femorale epifysiolyse)</li> <li>operatie (o.a. menisectomie)</li> <li>spierzwakte**</li> <li>laxiteit**</li> </ul> </td> <td style="background-color: #faf2e2;"> <p class="italics">extrinsieke factoren</p> <ul> <li>overgewicht**</li> <li>zwaar beroep (veel tillen, hurken en knielen)</li> <li>sport (m.n. topsport als voetbal, ballet)</li> <li>zitten in hurkhouding**</li> </ul> </td> </tr> <tr> <td style="width: 33%; background-color: #ffe6c4;" colspan="3"> <p>* in mindere mate voor knieartrose.</p> <p>** in mindere mate voor heupartrose.</p> </td> </tr> </tbody> </table> <p style="text-align: left;"> </p> <p style="text-align: left;">Systemische factoren bepalen de individuele gevoeligheid van het gewricht voor de inwerking van lokale biomechanische factoren, met als resultaat artrose in een bepaald gewricht van een bepaalde ernst. Zo kan ras bijvoorbeeld van invloed zijn en hebben mensen op een hogere leeftijd een groter risico op het krijgen van artrose. Ook is aangetoond dat bepaalde genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van artrose van de heup en/of knie. Verder komt artrose bij vrouwen meer voor dan bij mannen. Lokale biomechanische factoren kunnen worden ingedeeld in intrinsieke lokale factoren, die de gewrichtsbelastbaarheid beïnvloeden, en extrinsieke lokale factoren die van invloed zijn op de gewrichtsbelasting.<br />Niet alle risicofactoren spelen in gelijke mate een rol bij de lokalisatie van de artrose. Zo lijken ras en genetische aanleg belangrijker te zijn bij het ontstaan van heupartrose en overgewicht en zitten in een gehurkte houding bij het ontstaan van knieartrose.</p> <p style="text-align: left;">Naast risicofactoren voor het ontstaan van heup- en/of knieartrose zijn er ook risicofactoren voor de progressie (zie tabel 1b). Deze risicofactoren kunnen gerelateerd zijn aan radiologische progressie of progressie van klinische verschijnselen. Ook bij de determinanten van progressie gelden niet alle risicofactoren in dezelfde mate voor heup- en knieartrose. Zo is overgewicht een sterkere risicofactor voor progressie van knieartrose dan voor progressie van heupartrose, en zijn hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht en radiologische afwijkingen bij de eerste diagnosestelling juist sterkere risicofactoren voor progressie van heupartrose dan voor progressie van knieartrose.</p> <p class="tabelbijschrift">Tabel 1b. <span class="tabelbijschrift">Risicofactoren</span> voor de radiologische en klinische progressie van heup en/of knieartrose.</p> <p style="text-align: left;"> <table border="0"> <tbody> <tr> <td class="tabel-header"> <p>radiologische progressie</p> </td> <td class="tabel-header"> <p>klinische progressie</p> </td> </tr> <tr class="tabel-achtergrond-licht"> <td class="tabel-50"> <ul> <li>overgewicht</li> <li>gegeneraliseerde artrose</li> <li>radiologische afwijkingen (mate van gewrichtsdestructie) eerste diagnosestelling*</li> <li>botatrofie*</li> <li>verhoogde CRP</li> <li>hoog niveau van hyaluronzuur in het gewricht</li> <li>malalignement (knie)</li> <li>erfelijke aanleg</li> </ul> </td> <td> <ul> <li>psychosociale factoren</li> <li>depressie</li> <li>lage inschatting van eigen mogelijkheden (‘self-efficacy’)</li> <li>lage sociaaleconomische status</li> <li>gebrek aan beweging</li> <li>hogere leeftijd*</li> <li>vrouwelijk geslacht*</li> <li>comorbiditeit (hart- en longziekten, diabemellitus type 2, slechte visus, andere gewrichtsaandoeningen)</li> <li>pijn</li> <li>spierzwakte</li> <li>verminderde proprioceptie</li> <li>verhoogde laxiteit</li> </ul> </td> </tr> <tr class="tabel-achtergrond-donker"> <td colspan="2"> <p>* geldt niet bij knieartrose. CPR = C-reactive proteïne.</p> </td> </tr> </tbody> </table> </p>

Artrose is een aandoening die in de meeste gevallen multifactorieel wordt bepaald. Welke factoren bij welke patiënten een rol spelen, is nog niet duidelijk. Factoren die invloed hebben op het ontstaan van artrose van de heup en/of knie worden onderverdeeld in systemische en biomechanische factoren (zie tabel 1a).

Tabel 1a. Risicofactoren voor het ontstaan van heup- en/of knieartrose.

 systemische factoren biomechanische factoren 
  • leeftijd
  • ras*
  • genetische aanleg*
  • geslacht
  • overgewicht**
  • gegeneraliseerde artrose
  • malignement (knie)

intrinsieke factoren

  • trauma in verleden
  • gewrichtsaandoening (o.a. septische artritis, reactieve artritis of kristalartritis)
  • congenitaal (o.a. congenitale heupdysplasie, ziekte van Perthes en femorale epifysiolyse)
  • operatie (o.a. menisectomie)
  • spierzwakte**
  • laxiteit**

extrinsieke factoren

  • overgewicht**
  • zwaar beroep (veel tillen, hurken en knielen)
  • sport (m.n. topsport als voetbal, ballet)
  • zitten in hurkhouding**

* in mindere mate voor knieartrose.

** in mindere mate voor heupartrose.

 

Systemische factoren bepalen de individuele gevoeligheid van het gewricht voor de inwerking van lokale biomechanische factoren, met als resultaat artrose in een bepaald gewricht van een bepaalde ernst. Zo kan ras bijvoorbeeld van invloed zijn en hebben mensen op een hogere leeftijd een groter risico op het krijgen van artrose. Ook is aangetoond dat bepaalde genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van artrose van de heup en/of knie. Verder komt artrose bij vrouwen meer voor dan bij mannen. Lokale biomechanische factoren kunnen worden ingedeeld in intrinsieke lokale factoren, die de gewrichtsbelastbaarheid beïnvloeden, en extrinsieke lokale factoren die van invloed zijn op de gewrichtsbelasting.
Niet alle risicofactoren spelen in gelijke mate een rol bij de lokalisatie van de artrose. Zo lijken ras en genetische aanleg belangrijker te zijn bij het ontstaan van heupartrose en overgewicht en zitten in een gehurkte houding bij het ontstaan van knieartrose.

Naast risicofactoren voor het ontstaan van heup- en/of knieartrose zijn er ook risicofactoren voor de progressie (zie tabel 1b). Deze risicofactoren kunnen gerelateerd zijn aan radiologische progressie of progressie van klinische verschijnselen. Ook bij de determinanten van progressie gelden niet alle risicofactoren in dezelfde mate voor heup- en knieartrose. Zo is overgewicht een sterkere risicofactor voor progressie van knieartrose dan voor progressie van heupartrose, en zijn hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht en radiologische afwijkingen bij de eerste diagnosestelling juist sterkere risicofactoren voor progressie van heupartrose dan voor progressie van knieartrose.

Tabel 1b. Risicofactoren voor de radiologische en klinische progressie van heup en/of knieartrose.

radiologische progressie

klinische progressie

  • overgewicht
  • gegeneraliseerde artrose
  • radiologische afwijkingen (mate van gewrichtsdestructie) eerste diagnosestelling*
  • botatrofie*
  • verhoogde CRP
  • hoog niveau van hyaluronzuur in het gewricht
  • malalignement (knie)
  • erfelijke aanleg
  • psychosociale factoren
  • depressie
  • lage inschatting van eigen mogelijkheden (‘self-efficacy’)
  • lage sociaaleconomische status
  • gebrek aan beweging
  • hogere leeftijd*
  • vrouwelijk geslacht*
  • comorbiditeit (hart- en longziekten, diabemellitus type 2, slechte visus, andere gewrichtsaandoeningen)
  • pijn
  • spierzwakte
  • verminderde proprioceptie
  • verhoogde laxiteit

* geldt niet bij knieartrose. CPR = C-reactive proteïne.

tags: content , artrose-heup-knie , praktijkrichtlijn , inleiding

Pagina's : 123 > >>