Andere artikelen

B. Diagnostisch proces

B.1 Aanmelding

B.2 Inventarisatie van de hulpvraag en screening

B.3 Anamnese

B.3.1 Meetinstrumenten

B.4 Lichamelijk onderzoek

B.4.1 Inspectie/palpatie

B.4.2 Functie- en bewegingsonderzoek

B.5 Profielbepaling en opstellen van het behandelplan

B.5.1 Contact met de verwijzer

B.2 Inventarisatie van de hulpvraag en screening

De fysiotherapeut brengt de (stoornissen in) functies en anatomische eigenschappen, de (beperkingen in) activiteiten en de (problemen met) de participatie van de patiënt in kaart en inventariseert de herstelbelemmerende en -bevorderende factoren. Tevens brengt de fysiotherapeut de opvattingen van de patiënt in kaart over de klachten, de manier waarop de patiënt met de klachten omgaat, de verwachtingen van de patiënt ten aanzien van de therapie en het functieherstel. Daarnaast screent de fysiotherapeut zowel op voor deze patiëntengroep specifieke als op algemene rode vlaggen.

Rode vlaggen kunnen duiden op onderliggende pathologie. Bij aanwezigheid van rode vlaggen dient de fysiotherapeut de patiënt te adviseren contact op te nemen met de huisarts of specialist.


Rode vlaggen*

Rode vlaggen zijn symptomen die wijzen op mogelijk ernstige onderliggende pathologie, waarvoor de patiënt dient te worden geadviseerd contact op te nemen met de huisarts. De symptomen verwijzen in de meeste gevallen niet eenduidig in de richting van de genoemde aandoeningen.

De fysiotherapeut dient alert te zijn op: 

  • algemene malaise; 
  • ongewild gewichtsverlies;
  • koorts;
  • nachtzweten;
  • ‘non mechanic’ pijn (dit is pijn die niet beïnvloedbaar is door houding en beweging); 
  • neuropathische pijn;
  • neurologische symptomen (krachtverlies, geïsoleerde atrofie, radiculaire uitvalsverschijnselen); 
  • een recent trauma; 
  • tekenen van een ontstekingproces.

Hieraan kunnen de volgende aandoeningen ten grondslag liggen: 

  • reumatische ziekten (reumatoïde artritis, de ziekte van Bechterew en polymyalgie); 
  • maligniteiten (long(top))tumor, metastasen van bijvoorbeeld mammacarcinoom of okselklierpathologie);
  • cardiale aandoeningen (zoals angina pectoris); 
  • diafragmaprikkeling (bijvoorbeeld door (kwaadaardige) aandoeningen aan lever, galblaas of longen).

*Binnen het CANS-model wordt gesproken over ALERT-symptomen.


Op grond van de inventarisatie analyseert de fysiotherapeut wat het verband is tussen de klachten, de stoornissen in functies, de beperkingen in activiteiten, de participatieproblemen en de herstelbeïnvloedende factoren, waarbij ook de invloed van het werk op het ontstaan en voortbestaan van het gezondheidsprobleem aan de orde komt.

Tot slot bepaalt de fysiotherapeut of er een indicatie is voor fysiotherapeutische behandeling en of de patiënt in aanmerking komt voor behandeling volgens de richtlijn.

Aantal keren bekeken: : 7987