Andere artikelen

C. Therapeutisch proces

C.1 Algemene aandachtspunten voor de behandeling

C.2 Behandelstrategieën

C.3 Evaluatie

C.4 Nazorg

C.5 Afsluiting, verslaglegging en verslaggeving

C.2 Behandelstrategieën

Cognitieve bewegingsstrategieën 

Voor het oefenen van transfers wordt gebruik gemaakt van cognitieve bewegingsstrategieën. Hierbij worden complexe (automatische) activiteiten omgevormd tot een aantal los van elkaar, in vaste volgorde uit te voeren delen welke bestaan uit relatief simpele bewegingsonderdelen. Het bewegingsverloop wordt hiermee zodanig gereorganiseerd dat de activiteit bewust kan worden uitgevoerd. Dubbeltaken in de complexe (automatische) activiteiten van het dagelijks leven worden op die manier vermeden. De beweging of (deel)activiteit wordt bovendien in gedachten geoefend en voorbereid. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat er automatisering van de activiteit of de beweging optreedt. De uitvoering moet juist onder bewuste controle blijven.

Cueingstrategieën 

Ten gevolge van fundamentele problemen van de interne sturing is de uitvoering van automatische en herhaalde bewegingen gestoord. Om deze verminderde of zelfs afwezige interne sturing aan te vullen dan wel te vervangen, wordt gebruik gemaakt van zogeheten cues. Cues zijn prikkels uit de omgeving of prikkels die worden opgewekt door de patiënt zelf, die de patiënt al dan niet bewust (maar wel met aandacht) gebruikt om het (automatisch) bewegen te faciliteren. Mogelijk wordt op deze wijze de beweging direct gecontroleerd door de cortex, met weinig tot geen betrokkenheid van de basale ganglia.

Niet alle patiënten hebben even veel baat bij het gebruik van cues. Cues kunnen opgewekt worden binnen het eigen lichaam (buigen, strekken, zwaaien) of daarbuiten. Prikkels buiten het lichaam zijn onder te verdelen in bewegende (licht van een laserpen, een bewegende voet, een vallende sleutelbos) en niet bewegende prikkels (geluid van een metronoom, strepen op de vloer, het handvat van een wandelstok). Wat betreft het therapeutisch handelen wordt onderscheid gemaakt in ritmisch herhaalde cues en eenmalige cues (zie tabel 4).

Tabel 4. Cues.

Ritmisch herhaalde cues

Auditief

  • de patiënt beweegt op de muziek van een walkman 
  • de patiënt beweegt op het ritmisch tikken van een metronoom
  • de patiënt of iemand anders zingt of telt

Visueel

  • de patiënt volgt een andere persoon
  • de patiënt loopt over strepen die op de vloer staan of die hij zelf projecteert met een laserpen
  • de patiënt loopt met een omgekeerd vastgehouden wandelstok en moet bij iedere stap over het handvat stappen

Tactiel

  • de patiënt tikt heup of been aan

Eenmalige cues

Auditief

  • bewegingsinitiatie, bijvoorbeeld uitstappen op derde tel

Visueel

  • bewegingsinitiatie, bijvoorbeeld door over de voet van iemand anders, een object op de vloer of een omgekeerde wandelstok heen te stappen
  • houdingshandhaving, bijvoorbeeld door het gebruik van een spiegel of doordat de patiënt zich richt op een object (klok, schilderij) in de omgeving

Cognitief

  • bewegingsinitiatie (en continuatie van het gaan), bijvoorbeeld doordat de patiënt de aandacht richt op de plek waar hij heen wil, en niet op de deurpost waar hij langs moet

Ritmisch herhaalde cues worden gegeven als een continue ritmische prikkel, die als sturingsmechanisme kan dienen voor het lopen. De afstand tussen (frequentie van) ritmische cues bij het lopen wordt gebaseerd op het aantal stappen dat nodig is om de Tien meter-looptest af te leggen op comfortabele snelheid. Eenmalige cues worden toegepast voor het handhaven van de houding, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van transfers en voor initiatie van activiteiten van het dagelijks leven, of bij het op gang komen na een periode van freezing.

Behandelstrategieën per behandeldoelstelling

Werkkaart 4 geeft een overzicht van te kiezen behandelstrategieën bij verschillende behandeldoelen.

Hulpmiddelen

Bij patiënten met de ziekte van Parkinson kan het gebruik van hulpmiddelen zinvol zijn. De fysiotherapeut voorziet (indien nodig in samenwerking met de ergotherapeut) in de aan vraag van en training in het gebruik van benodigde relevante (loop)hulpmiddelen (zie tabel 5) en in informatie over wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de reparaties ervan.

Tabel 5. Probleemgebieden bij de ziekte van Parkinson en mogelijk te gebruiken hulpmiddelen.

Probleemgebied

Hulpmiddelen en/of aanpassingen

Balans

  • loophulpmiddel (zoals rollator)

Transfers of het veranderen van lichaamshouding

  • verhoogde toiletpot
  • sta-op-stoel
  • hulpmiddelen die het in bed gaan / uit bed komen vergemakkelijken (zoals hoog-laagbed, tillift, glijplank, handvatten aan de zijkant van het bed)

Mobiliteit

  • loophulpmiddel (zoals rollator)
  • overige hulpmiddelen die de mobiliteit vergroten (zoals rolstoel, scootmobiel)

Vallen en verhoogd valrisico

  • loophulpmiddel (zoals rollator)
  • heupbeschermers
  • schoenen met voldoende steun en zolen met voldoende grip

Daarnaast verwijst de fysiotherapeut tijdig naar een ergotherapeut voor inventarisatie van mogelijke aanpassingen in de thuissituatie. Bij patiënten die frequent vallen, kan een verpleegkundige eventueel adviseren over de aanschaf van heupbeschermers.

Aantal keren bekeken: : 7151